Frans de Leef
Frans de Leef

Prent

Enige tijd geleden had mijn buurman mij gevraagd of ik zin had om mee te gaan naar een expositie van werk van zijn nichtje. Hij heeft absoluut geen verstand van kunst en vroeg zich al jaren af of haar werk nou écht wel zo belangrijk was als zij op verjaardagen deed voorkomen.
Na bijna drie kwartier door het Groene Hart over allerlei d-weggetjes, waar zelfs de TomTom vraagtekens bij zette, te hebben gescheurd, arriveerden we ruim twintig minuten te laat bij een tot galerie omgebouwde koeienstal. Blijkbaar nog net op tijd voor de opening, want achterin de galerie zagen we op een kleine verhoging een wat gedrongen man de opgestelde microfoon uit z’n standaard pakken. Hij tikte er driemaal tegen, om de aandacht van de massaal toegestroomde bezoekers te trekken, schraapte nog even zijn keel en nam het woord.
“Dames en heren, allereerst wil ik u allen hartelijk welkom heten in Galerie Het Noorderlicht. Mijn naam is Koos Bijsteeg, eigenaar van deze galerie en het verheugt mij te zien dat u in zo groten getale de weg naar onze galerie gevonden heeft voor de opening van de expositie van dorpsgenoot en beeldend kunstenares Liedewij de Haas. En dan zou ik nu graag het woord willen geven aan mevrouw Toos van Prut, hoofddocente bezigheidstherapie van psychiatrische inrichting ‘Schudt De Geest’ en bekend criticaster van ons plaatselijke weekblad ‘Het Leugenaartje’, die de opening voor haar rekening zal nemen. Mevrouw Van Prut, aan u de eer!” De microfoon wisselde van eigenaar. “Dank je wel Koos, voor deze prachtige introductie.” De manier waarop ze naar Koos keek en dit zei, deed meer vermoeden. “Dames en heren”, vervolgde ze, “ook namens mij van harte welkom. Toen Liedewij de Haas mij vroeg of ik haar eerste grote solotentoonstelling, hier in Galerie Het Noorderlicht, wilde openen, twijfelde ik geen moment. Integendeel, Liedewij en ik kennen elkaar namelijk al geruime tijd. Zij is één van mijn leerlingen van het eerste uur, toen ik nog les gaf aan ‘De Vrije’. Ik ken haar werk dan ook als geen ander, al zeg ik het zelf. Wars van alle stromingen, tijdloos, maar bovenal vol puurheid en serene dynamiek. Juist die brede verworvenheid is haar vermoedelijke krachtveld, als in een niet aflatend gevecht met het materiaal. Voor Liedewij is de materie niet zomaar een middel om haar expressie te verbeelden. Nee, sterker nog, het is eerder een zoektocht naar de mogelijkheden van de materialen in relatie tot zeggingskracht, structuur en coloriet, waarbij harmonie, balans en evenwicht in haar werk sterk contrasteren met de specifieke boodschap die zij tracht uit te dragen. Een uiting, waarbij je als beschouwer op het verkeerde been wordt gezet en waar moeilijk de vinger is te leggen op haar ondefinieerbare toegankelijkheid. Zeker wanneer ze zichtbare realiteit oproept, dan dient zich bij het zien van haar werk een onontkoombaar gevoel van vergankelijkheid aan, een bijna sacrale oproep tot leegte. Edoch, zonder dat dit haar kwetsbaarheid als kunstenares op zoek naar emotionele en fysieke betekenissen aantast. Degenen die deze metafoor niet willen of kunnen zien, mogen zich intuïtief, bewust of onbewust, beperken tot de analyse van het verbeelde proces, dat het duidelijkst naar voren komt in haar schilderijen. Tot slot dames en heren, wil ik u graag wijzen op de nog nooit eerder geëxposeerde, maar hier wél getoonde monoprints. Prenten die met een onvergelijkbare fragiele schoonheid van figuratieve abstractie tot stand zijn gekomen en welke een geheel nieuwe vorm van verbale zichtbaarheid en ongrijpbare emoties in Liedewij’s oeuvre zijn.
Ik dank u voor uw aandacht en verklaar hierbij deze expositie voor geopend.”

“Nou Frans”, zei m’n buurman, nadat het applaus was weggeëbd, “dat heeft die tante mooi gezegd. Alleen begreep ik er eerlijk gezegd geen reet van. Jij wel?”
“Tja buurman”, zei ik, “dat begrijp ík dan weer niet, dat jij dat niet begrijpt. Per slot van rekening is het wel jouw nichtje waar ze het over had.”
“Nee, even zonder gekheid Frans”, onderbrak hij mij. “Is het wat, de kunst die ze maakt? Ik heb je niet voor niks gevraagd of je mee wilde gaan. Jij hebt er verstand van. Ik niet, want ik ben een kunstleek.”
“Nou…”, zei ik, “laat ik het zo zeggen: Het is verrassend! Maar als je het écht eerlijk wilt weten? Ik heb nog nooit zóveel goedbedoelde macramébagger op een paar vierkante meters bij elkaar gezien! Hoe is het in godsnaam mogelijk dat zo’n creatrut in de kunst terecht is gekomen! Onbegrijpelijk dat ze daar instinken bij een galerie. En dan die openingsspeech, te gek voor woorden. Dat ze met droge ogen zo’n lulverhaal kunnen ophangen over ‘het werk’ van je nicht. Leg mij dat maar eens uit!”
“Weet ik veel!” zei m’n buurman. “Volgens mij heeft Liedewij ooit bezigheidstherapie gevolgd bij een of ander centrum en daar zal ’t wel begonnen zijn. Men zal er wel wat in gezien hebben, anders hadden ze haar werk hier toch niet opgehangen?
Maar Frans, het is toch niet allemaal zooi dat er hangt? Ik vind die prenten op dat korte wandje best aardig.”
“Buurman!”, de verbazing was in mijn stem te horen. “Je gaat me toch niet vertellen dat je van plan bent om iets te kopen, hè!”
“Nou eerlijk gezegd”, zei hij, “was ik dat wel van plan, maar Bruin kan dat even niet trekken. Ik heb namelijk net een prent gekregen.”
“Een prent gekregen?” zei ik. “Van wie dan?”
“Van die veldwachter daar buiten. Kijk zelf maar, onder m’n ruitenwisser!”

©Frans de Leef

Geplaatst op: Maandag 15 augustus 2011 om 17:46 uur
98878
bezoekers
© 2012 - Frans de Leef