Frans de Leef
Frans de Leef

Onder de brug.

Een paar weken geleden raakte ik toevallig aan de praat met een gozer van een jaar of twintig. Het was tijdens de opening van een expositie in één van de vele galeries die deze stad rijk is. Hij was hoofdschuddend naast me komen staan bij het gebruikelijke openingstoespraakje en toen iedereen was uitgeklapt zei hij: “Wat een gelul altijd hè. Het schijnt niet mogelijk te zijn om eens een keer een goed verhaal te vertellen bij een opening of iets met humor te doen. Altijd dat stomme geblabla. En het gekke is, hoe zweveriger het taalgebruik, des te slechter is de kunst!” Net toen ik hem antwoord wilde geven, zag ik dat zijn blik ineens gefocust was op de voorbij komende dienbladen. Hij griste er twee wijntjes vanaf, die hij in één teug achterover sloeg.
“Zo”, zei ik, “jij spuugt er ook niet in.”
“Nee man, dat kan je wel zeggen, ik sta de hele dag al droog. Ik zal me trouwens even voorstellen, ik ben Wouter, Wouter van de Veen. Ik ben eigenlijk niet van hier ik kom van Gasteren weg, dat ligt in de buurt van Assen. Ik zou kunstgeschiedenis gaan studeren in Leiden en daar ben ik ook aan begonnen, aan die studie bedoel ik. Maar ja, je weet hoe dat gaat hè, als Drent in de grote stad, het vlees is zwak. Op kamers gegaan, veel stappen met de verkeerde vrienden natuurlijk, zuipen, hoeren en snoeren. Na een maand of zes had ik geen cent te makken meer en als ik ’s morgens wakker werd moest ik eerst een borrel. Nou je begrijpt het al, me kamer uitgelazerd en dan komt er van studeren ook geen pest meer terecht. Dus sinds een jaar slaap ik onder de brug, bij wijze van spreken dan. Ja, ik heb wel eens een plekje waar ik een paar dagen kan blijven, maar als ze dan in de gaten krijgen dat ik de hele voorraadkast heb leeg geslobberd, dan moet ik weer op zoek naar wat nieuws. Dus de laatste tijd loop ik allerlei openingen af, daar is altijd wel wat te hikken en als je geluk hebt ook wat te knagen en het blijft natuurlijk lekker dicht bij mijn studie kunstgeschiedenis.”
“Waarom ga je dan niet naar je ouders terug”, onderbrak ik hem.
“Ach meneer”, zei hij, “die ouwe ziet me aan komen, die heeft het veel te druk met z’n werk, met z’n nieuwe vriendin en zichzelf. Ik ga”, zei hij terwijl hij in de rondte speurde, “eens kijken of ik hier nog een warm bedje voor de nacht kan regelen.” En hij verdween tussen het galeriepubliek.
Een half uurtje later zag ik hem geanimeerd pratend met een vrouw, die wel drie keer zijn moeder had kunnen zijn, het pand verlaten. En ik dacht bij mezelf: “Zo, die kom ik vanavond vast en zeker bij mij onder de brug niet tegen.”
Geplaatst op: Maandag 29 oktober 2007 om 16:23 uur
107509
bezoekers
© 2012 - Frans de Leef