|
Mij een zorg.
Het zal een uur of elf, half twaalf ’s avonds zijn geweest toen ik, daags na Pasen, de sociëteit van Pulchri Studio verliet. Het Lange Voorhout had in de paar uur dat ik binnen aan het slobberen was geweest een metamorfose ondergaan. Wit…, maagdelijk spierwit! Een deken van ongerepte sneeuw bedekte de mooiste laan van Europa en leek zó uit een prentenboek van Anton Piek te zijn gestapt. Een schone witte onbetreden wereld, die nog niet was verpest door bandensporen van de economie. De enkeling die zich nog op straat waagde spoedde zich naar huis een spoor van voetstappen achter zich latend. Het gelukzalige gevoel van pracht en schoonheid hield ik vast tot aan de bushalte. Daar bleek al snel, tot mijn grote ontsteltenis, dat bus en tram niet meer reden. Wellicht terecht, maar ’t betekende wel dat ik moest gaan lopen, want een taxi kon ik waarschijnlijk ook wel schudden.
Toen ik dik driekwartier later al glijdend, verkleumd en met een paar ijspoten thuis kwam, werd ik als eerste begroet door mijn altijd vrolijk kwispelende viervoeter die mij aankeek met een blik van: hallo makker, jasje aanhouden, want we moeten nog wél even uit hoor! Op de kade, waar ik normaal gesproken de hond altijd uitlaat, lag tussen de struiken onder een letterlijk witte deken Stefan. Hij lag daar wel vaker. Ik kende hem en maakte daarom wel eens een praatje met hem. Stefan en ik hadden namelijk in een grijs verleden bij dezelfde baas gewerkt. Een absoluut geen domme jongen, die helaas, na wat relatieproblemen, drank en drugs, was afgegleden naar de zelfkant van onze maatschappij. Zo zie je maar, het kan ons dus allemaal overkomen. “Gaat ’t Steef”, vroeg ik, eigenlijk tegen beter weten in. “Rot op De Leef! Laat mij lekker met rust”, klonk het onder de struiken vandaan. “Maar je kunt hier toch niet blijven liggen, met dit weer! Er is toch wel ergens een plekje waar je voor de nacht terecht kan? Desnoods kom je bij mij slapen”, sputterde ik nog tegen. “Laat mij nou maar, eikel! Maak je over mij maar geen zorgen, ik red me wel. En optieften nou, ik lig hier voor m’n rust!” “Maar man, als je hier blijft liggen wordt ’t je dood!” “Mij een zorg”, bromde hij uit de bosjes. “Dan moet je ’t zelf maar weten hoor.” En met een gevoel van onmacht keerde ik huiswaarts. Die nacht heb ik slecht geslapen. De volgende morgen vroeg liet ik, zoals gewoonlijk, de hond weer uit. De meeste sneeuw was gelukkig net als Stefan reeds verdwenen en onwillekeurig dacht ik bij mezelf: In wat voor maatschappij leven we in godsnaam tegenwoordig. We kunnen niet eens zorgen voor die genen die het ’t hardst nodig hebben. En neem maar van mij aan, het wordt, als het zo doorgaat, nog veel en veel erger.
Geplaatst op: Dinsdag 25 maart 2008 om 12:54 uur
|
107509
bezoekers |