Frans de Leef
Frans de Leef

Al Kooper.

Vanmorgen knalde ik in de Wagenstraat, net even voorbij het Leger de Heils, bijna tegen een behoorlijk verlopen type aan. Een gozer van dik in de vijftig met lang zwart krulhaar en een baard. Bovenop z’n warrige haardos balanceerde een potsierlijk soort matrozenpetje met de tekst ‘HERO’. De man pakte me bij de schouder, keek me strak aan en spoog me vervolgens toe: “Hé, De Leef! Je wilt me zeker niet meer kennen hè!”
“Eh…. waar zou ik je dan van moeten kennen?”, vroeg ik een beetje overrompeld.
“Jezus man, kijk dan!”, riep hij. “Herken je me dan niet meer? Zie je ’t dan niet, blinde kip! Ik ben ’t, Rinus…, Rinus van der Berg uit de Rembrandtstraat!”
Hij was pal voor me gaan staan en zo te zien absoluut niet van plan mij erlangs te laten voordat ik zou laten blijken dat ik ‘m inderdaad herkende. Gravend in m’n geheugen ging er eerlijk gezegd in eerste instantie geen lichtje branden, maar toen ik ‘m eens goed in z’n ogen keek begon het me langzaam te dagen. Verdomd zeg, spookte het door m’n hoofd. Niet te geloven: Rinus van der Berg! Mijn god! Dat moest op z’n minst veertig jaar geleden zijn. En wat zag hij eruit! Enorme wallen onder z’n diep ingevallen ogen en een zwart geblakerde fietsenstalling daar waar ooit zijn stralend witte tanden hadden gezeten.

Rinus woonde vroeger bij ons om de hoek en behoorde tot het clubje vrienden waarmee ik regelmatig ging stappen. Hij was indertijd wat je dat noemt een mooie jongen. Gitzwarte ogen, een gaaf gezicht en mooi zwart krullend haar. Meisjes versieren deed ie nooit. Was ook niet nodig, want ze stonden voor hem in de rij. Een wel héél groot contrast met de man die nu voor me stond.
Hij werd door ons toentertijd Al genoemd, naar Al Kooper. Hij leek er in de verte ook wel een beetje op. Maar de eigenlijke reden waarom we hem Al noemden was dat hij, tijdens het openingsfeestje van het speelterreintje achter ons huis in de Hobbemastraat, met een fakkel in z’n hand als een soort vrijheidsbeeld, had geroepen: “I Stand Alone!” Een beeld dat in m’n geheugen was gegrift, omdat het net leek of hij zó uit de platenhoes van Al Kooper’s ‘I Stand Alone’ was gestapt.

Na wat herinneringen met hem te hebben opgehaald mocht ik er eindelijk langs en kon ik mijn weg vervolgen om, zoals elke zaterdag, koffie te gaan drinken bij m’n vader.
Toen ik een uurtje later weer naar huis fietste, neuriede ik zonder dat ik ’t zelf in de gaten had ‘A Salty Dog’ van Procol Harum. En het gekke is dat dit nummer de hele dag onbewust in m’n kop is blijven plakken. Na het eten ‘s avonds dacht ik: A Salty Dog van Procol Harum, die moet ik voor de aardigheid toch weer eens op de draaitafel leggen. Ik liep naar m’n platenkast en na wat zoeken trok ik de uit 1969 daterende LP eruit. En geloof ’t of niet, maar tot mijn stomme verbazing herkende ik op de hoes, gevat in een reddingsboei, het verlopen smoelwerk van Rinus…. zoals ik hem vanmorgen was tegen gekomen.

Geplaatst op: Donderdag 3 september 2009 om 10:42 uur
97309
bezoekers
© 2012 - Frans de Leef