Frans de Leef
Frans de Leef

Achter `t raam.

Het was druk in ‘Café De Uiver’. Op mijn vaste stek bij raam nam ik, onder het genot van een biertje, het aan ’t papier toevertrouwde leed van de dag door: bomaanslagen, moord en groepsverkrachtingen. Over de rand van mijn krantje had ik hem al tweemaal buiten langs zien peren. Een wat schuchtere man van een jaar of veertig. Netjes gekleed naar de laatste mode van een jaar of tien geleden, verkeerde spijkerbroek en bruin suèdejack. Zo’n onzekere twijfelaar dus. We kennen zulke types allemaal wel. Van die mannen die almaar heen en weer drentelen en schichtig om zich heen kijken alvorens ze bij de hoeren naar binnen durven te gaan. Toen hij voor de derde keer de kroeg passeerde en naar binnen keek, kruisten onze blikken elkaar. Vermoedelijk voor hem hét teken de knoop door te haken en toch maar de gang naar binnen te maken. Twee tellen later vroeg hij beleeft of de plaats naast mij nog vrij was.
“Ja hoor, ga zitten”, zei ik. “Je moest zo te zien nogal wat overwinnen hè, om binnen te komen?”
“Ach meneer”, zelf in zijn stem was de teleurstelling van het leven hoorbaar. “M’n hele wereld staat op z’n kop. Ik dacht dat ik ’t eindelijk voor elkaar had, maar nee. Ruim een jaar geleden heb ik haar ontmoet, bloedmooi en áárdig! Ze maakte meteen een afspraakje met me en na een week was ze niet meer bij me weg te slaan. Ik voelde me de koning te rijk. Ik, nota bene ik, met zo’n mooie vrouw. Het leek wel een droom. Ik kreeg alle aandacht, iets wat ik mijn leven lang nooit heb gehad. Ze vond me lief, zei ze. Ze hield van me, zei ze. Ze kookte af en toe voor me en haalde soms een stofzuiger door de kamer. Als ik uit m’n werk kwam stond er een borrel voor me klaar en kon ze niet wachten om me daarna ’t bed in te trekken. Meneer, ik leefde in een droom. Het enige waar ik van baalde was, dat ze ’s avond altijd naar huis ging om te slapen. Ze moest zogenaamd vroeg op. Om u eerlijk de waarheid te zeggen meneer, toen had bij mij de bel moeten gaan rinkelen. Maar ja, liefde maakt blind hè, zeggen ze dan. Ik hield zo verschrikkelijk veel van haar en ik dacht wérkelijk dat zij ook van mij hield. Nou mooi niet dus! Na een maand of drie vier begon het en blind als ik was, had ’t niet eens door. Of ze wat geld van me mocht lenen. Er was iets vaags met haar moeder aan de hand. Dus lul die ik ben, ik naar de bank. Veertien dagen later; of ze nog wat van me kon lenen, iets met d’r tante. In die zelfde week had ze problemen met d’r autotje, dus ik maak haar blij met een mooi tweedehandsje. Alles deed ik voor d’r, want ik hield van haar. Maar ze wilde meer en steeds meer. Een eigen appartementje -op naam natuurlijk-, want dan hoefde ze niet steeds op en neer te reizen. Geld voor de kapper, een bontjas, nieuwe schoenen, een nieuw mobieltje. Je kunt ’t zo gek niet bedenken of ik heb ’t haar gegeven. Meneer geloof ’t of niet, m’n hele spaarrekening heb ik voor dat loeder geplunderd. Ik heb zelfs een tweede hypotheek op m’n huis voor d’r genomen en een p.l.tje afgesloten. En toen ik haar vertelde dat ik ’t financieel wat rustiger aan moest gaan doen, was ze van de ene op de andere dag vertrokken en onvindbaar natuurlijk. Kapot ben ik, compleet van de wereld, uitgekleed en leeggezogen. Ik heb verdomme voor die slang zelfs m’n huis moeten verkopen en zit nu in een gehuurd kamertje achter de ramen. Nee…, niet wat u denkt, maar zo voelt het wel!”
Geplaatst op: Vrijdag 20 april 2007 om 13:18 uur
107509
bezoekers
© 2012 - Frans de Leef